Jaren geleden, ongeveer rond 1998, werd ik geconfronteerd met de stelling ‘the business of business is business’. Degene die deze woorden gebruikte was de Vice President Sustainability bij een multinational. Op dat moment voelde deze opmerking in de context van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) als een opluchting.
Tot dan toe werd MVO (en/of duurzaamheid) vooral gezien als een ‘geitenwollensokken’ onderwerp en werd ik op feesten en partijen direct bestempeld als ‘tree hugger’ wanneer ik over mijn werk vertelde. Dit overigens volledig in tegenstelling tot hoe ik het onderwerp beleefde. Integratie van duurzaamheid in de kern van elk bedrijf vond (en vind!) ik de enige logische weg om een bedrijf op een gezonde, winstgevende en verantwoorde manier te laten ondernemen.
MVO als business case
Door duurzaamheid vanuit een business case perspectief te bekijken, werd het makkelijker om met bedrijven te praten over het onderwerp. Het economische aspect van MVO was goed uit te leggen aan het management en dit werd versterkt door een aantal vooraanstaande CEO’s die zich uitspraken over MVO. Steeds meer bedrijven zagen en zien de nut en noodzaak in van duurzaam ondernemen. Sommige aspecten leveren direct ‘bottom line’ winst op zoals energiereductie, afvalpreventie en minder waterverbruik. Maar ook andere aspecten op sociaal gebied, zoals diversiteit, mensenrechten en het opleiden van medewerkers, kwamen en komen met regelmaat op de agenda’s bij bedrijven. In gesprekken met management stond de business case van MVO centraal; het gaat niet om filantropie of een ander idealistische gedachte, MVO is noodzakelijk om op (middel)lange termijn een winstgevende onderneming te hebben. Deze ontwikkelingen betekenden tegelijkertijd dat steeds meer bedrijfskundigen en economen het vak van MVO binnen traden. Het was en is ineens geen ‘geitenwollensokken’ onderwerp meer (en ik geen ‘tree-hugger’
).
MVO als idealisme?
De laatste tijd merk ik dat de discussie soms een andere wending krijgt. Met enige regelmaat bevind ik me in de situatie waarin ik het centraal stellen van de business case moet verdedigen omdat mijn gesprekspartners (mensen uit de business!) vinden dat de financiële incentive niet leidend mag zijn bij MVO. Ze vinden dat MVO vanuit het hart moet komen. “Als bedrijven aan MVO doen omdat het winstgevend is, dan is het niet MVO.” En deze ontwikkeling heeft als gevolg dat niet ík de ‘tree-hugger’ meer ben, maar juist diegene met wie ik in gesprek ben. Een bijna paradoxale ervaring die mij toch weer aan het denken heeft gezet. Is MVO onlosmakelijk verbonden met het nastreven van idealen? Moet er voor MVO een intrinsieke motivatie zijn?
Gedeeltelijk vind ik antwoorden in nieuwe (inter)nationale richtlijnen, zoals het Ruggie framework met betrekking tot mensenrechten en de richtlijn ISO 26000. Binnen deze richtlijn heeft men het naast juridische verantwoordelijkheid ook over morele verantwoordelijkheid. Dingen die je als bedrijf niet zou moeten willen doen, omdat het niet fatsoenlijk is. Maar los van richtlijnen en frameworks, ben ik ben vooral nieuwsgierig hoe u erover denkt. Laat het me vooral weten via: wersch@beco.nl