Het beleid voor duurzaam inkopen viert deze week zijn eerste lustrum, al lijkt het wel een eeuwigheid geleden dat de overheid officieel daartoe besloot. Er zijn drie kabinetten Balkenende gevallen sinds de motie Koopmans/De Krom woensdag precies vijf jaar geleden werd aangenomen. Wellicht moet straks premier Rutte verantwoording afleggen over de vraag of de rijksoverheid 100 procent duurzaam inkoopt, zoals de motie Koopmans/De Krom vroeg. Wat gaat Rutte zeggen?
Het ministerie van VROM gaat het nog precies meten, maar wie terugblikt op vijf jaar duurzaam inkopen kan niet anders dan constateren dat het beleid met horten en stoten vorm heeft gekregen. Vooral de ontwikkeling van criteria verliep de eerste jaren ronduit stroef. Daar is veel over gemopperd, ook door mijzelf. Maar nu zijn ze af, ze zijn doorgaans redelijk hanteerbaar en ze zijn voor iedereen beschikbaar. Het ambitieniveau van de criteria is weliswaar mager en de sociale aspecten zijn onderbelicht, maar AgentschapNL biedt voor veel inkopers een onmisbare basis. Bovendien er is voor ambitieuze overheden geen enkele belemmering om verdergaande eisen te stellen.
50 miljard
In 2005, toen staatssecretaris Pieter van Geel nog over duurzaam inkopen ging, werd algemeen aangenomen dat de gezamenlijke overheden ongeveer 30 miljard euro per jaar uitgeven. Bij nader inzien bleek de overheid een nog veel grotere speler te zijn dan gedacht: jaarlijks wordt voor 50-60 miljard aan facturen betaald. Dat maakt de impact van duurzaam inkopen des te groter.
Daarom is het jammer dat ongeveer de helft van de oorspronkelijke productgroepen vervallen is. Van de oorspronkelijke 85 zijn er nog 45 over, omdat die de meeste impact zouden hebben op duurzaamheid. Volgens mijn eigen inschattingen wordt minder dan de helft van het inkoopvolume van de overheid gedekt door die 45 productgroepen. Dat zet de betekenis van ‘100 procent duurzaam inkopen’ in een ander daglicht. Die 30 miljard uit 2005 was achteraf toch geen gekke schatting.
Afvinklijstjes
Bovendien denk ik dat voor sommige grote productgroepen, zoals de inhuur van adviseurs, wel degelijk zinvolle inkoopcriteria te bedenken waren geweest. Daarvoor is het wel nodig af te stappen van de wat simpel aandoende afvinklijstjes die de criteria van oorsprong waren. De eerste versie van de criteria voor de inhuur van adviesbureaus ging bijvoorbeeld over de CO2-compensatie van autokilometers door consultants. Daar wordt niemand gelukkig van. Consultants willen niet beoordeeld worden op hun rol als automobilist, maar op hun advieswerk. Om dat te vatten in hanteerbare criteria is niet makkelijk, maar het hoeft ook niet makkelijk te zijn.
Overigens was dat één van de conclusies van het rapport Duurzaam Inkopen Versie 2.0: ‘Duurzaam inkopen met ambitie vraagt extra denkwerk en analyse, compliceert inkoopprocedures, veronderstelt risicobereidheid, vergt veranderingen in de organisatie en nieuwe competenties. Kortom: MVO-gedreven duurzaam inkopen is inspirerend, maar ook lastig.’
Wat zegt premier Rutte?
Wat zegt premier Rutte? Ik denk dit: ‘Als we de balans opmaken van vijf jaar beleid voor Duurzaam Inkopen, denk ik dat een grote meerderheid van overheden langzaam maar zeker de goede kant op gaat. Dat betekent dat de marktvraag richting duurzaamheid verschuift, en dat was het doel van het beleid.’ En dit zegt hij er niet bij: ‘De beoogde 100 procent wordt alleen gehaald dankzij soepele duurzaamheidscriteria en het beperkte aantal productgroepen waarvoor het beleid nog geldt.’
Het kabinet Rutte I zal dus niet vallen over het beleid voor duurzaam inkopen, maar dat het sneller en beter kan is duidelijk. Daarover volgende keer meer.